Steff Geelen- Over God, paprikachips en andere

Voor onze rubriek 'Niet zonder ons' vertelt Steff Geelen over haar ervaringen met de kerk en haar herinneringen aan dat éne bakje paprikachips.

Over God, Paprikachips en andere Gewichtige zaken

Ik glip door de deur die op een kiertje staat en neem plaats op de achterste bank. De paar andere aanwezigen zitten in de voorste banken, hun hoofden gebogen, handen tegen de onderbuik gevouwen. Het is stiller hier, alleen in de verte zoemt het verkeer als een onrustige zwerm bijen.


Wij gingen verre van regelmatig naar de kerk. Alleen met Pasen of Kerst of wanneer we mijn opa herdachten tijdens Allerheiligen óf wanneer ik zei: ‘Zullen we weer eens naar de kerk gaan?’, alsof ik me een uitje naar de Efteling voorstelde. Net zoals ik me soms voornam ijverig te worden, iedere dag buikspieroefeningen te doen, spruitjes te gaan lusten, heb ik me ook vaak voorgenomen vroom te worden. Iets in de aard van het beestje. Eenmaal in de kerk duurde de dienst toch langer dan ik had verwacht en kon de monotone stem van de pastoor geen vat krijgen op mijn concentratie.


Er klinkt een belletje, pastoor gevolgd door misdienaar doen hun entree door de zijdeur. Iedereen staat op. Ik blijf zitten, maak me zo mogelijk nog iets kleiner.

De pastoor begint zijn preek.


Wat ik me tegenstelling tot de preken wel kan herinneren van onze kerkbezoeken uit mijn jeugd is dat ik tijdens een van de kindernevendiensten in de pastorie een kleurplaat kreeg van Jezus die ik paars kleurde. Dat iemand me daar vervolgens op aansprak: Jezus was toch paars!


Van vroomheid kwam het dus niet, wel deed ik altijd een beleefde poging mijn kinderlijf in bedwang te houden in de bilonvriendelijke banken. Niet om te kijken naar de buurmeisjes die twee rijen achter ons zaten. Niet mijn kietelvingers uit te steken naar mijn broer. Als wij ons gedroegen, kregen we naderhand op de bank voor de bank voor Idols of Hollands Got Talent paprikachips, één bakje paprikachips.

Ik heb soms heimwee naar de kerk. De avondwandeling ernaartoe door het donker wordende dorp. De geur van kerkwierook. De ruwe stenen van de muren onder mijn vingertoppen en het dorp, waarvan ik dacht dat het ‘t middelpunt van de wereld was: mijn slaapkamer, de kerk, de basisschool en het scouting gebouw. Sinds ik dat dorp verlaten heb, is die wereld als vanzelfsprekend gegroeid. Ik weet inmiddels dat die zo wijd is dat geen enkele geest, hoe serieus of ijverig ook, hem kan overzien, laat staan begrijpen.

Dat mensen slechts vergeefse pogingen doen met paradigma’s of preken. Zo de wereld trachten te vullen met deurklinken, stoelleuningen, handvaten. Alles wat je stevig vast kunt grijpen wanneer het leven even te steil voelt en de handen van anderen gevaarlijk. Daar zitten we dan zonder vast werkschema, opdrachten, aanrakingen of moeder die zegt tijdens een avond vol Netflix en mateloosheid dat het na een bakje paprikachips wel genoeg is.

Terwijl de pastoor zijn preek voorzet, sta ik op, stilletjes, verlaat de kerk op mijn tenen. Voor de kerk staat een kastanjeboom in bloei. De zon komt net achter de wolken vandaan. Onderweg terug naar huis neem ik me voor de volgende keer beter op te letten, een meer ijverige schrijver te worden, iedere dag buikspieroefeningen te doen, spruitjes te gaan lusten. Sommige dingen veranderen nooit. Iets in de aard van het beestje.


Wilt u meer weten over hoe we met uw gegevens omgaan, lees dan ons privacy statement