Groot Nieuws

30 december: Bouw daar een altaar voor mij

EO
  1. Nieuwschevron right
  2. 30 december: Bouw daar een altaar voor mij

Op deze laatste zondag van het jaar een programma met muziek en een meditatie met als thema “Bouw daar een altaar voor mij”, naar aanleiding van Genesis 35:1-7. De meditatie wordt verzorgd door dominee Arie van der Veer.

Groot Nieuws

Muziekgegevens

1) Gij zijt o Heer, van d’ allervroegste jaren, psalm 90: 1 en 9

2) God is getrouw, Zijn plannen falen niet, Gez. 130: 1,2 en 3

3) Blijf bij mij Heer, Gez. 282: 1,4 en 5

4) Uren, dagen, maanden, jaren, Gez. 292:1 en 5

5) Rots der eeuwen, o mijn toevlucht, Joh. de Heer 507

6) Groot is Uw trouw, o Heer, Opw. 123

7) De kerk van alle tijden, Gereformeerd kerkboek Gez. 32

8) Gelijk het gras is ons kortstondig leven, Psalm 103: 8 en 9

9) Wij leggen onze handen in Uw handen, geen bundel

10)Jezus, rots van mijn vertrouwen, geen bundel

11)Een vaste burcht is onze God, Joh. de Heer 413

Meditatietekst

Als God Jakob niet had opgeroepen om te gaan, was hij misschien wel nooit meer naar Bethel teruggegaan. Bethel, die bijzondere plek waar hij op het dieptepunt van zijn leven God had ontmoet.

Op de vlucht voor zijn broer die hij bedrogen had, had hij op een nacht daar een droom gehad. Hij had een ladder gezien, die de de hemel en de aarde verbond. En op die ladder engelen die van beneden naar boven en van boven naar beneden gingen. Ook was God daar. En God had gezegd: ‘Ik ben de Heer, de God van Abraham en van Isaak. Het land waarop je nu ligt te slapen, zal ik aan jou en je nakomelingen geven....’

Het was een heel bijzonder, ja vreemd gebeuren.

Geen verwijten van de kant van God. En daar was alle aanleiding voor. God die hem die nacht alleen maar herinnerde dat Hij zich altijd zou houden aan de beloften die Hij ooit aan Abraham gegeven had.

Jácob mocht een bedrieger zijn...... op Gods beloften kun je aan. Ook in tijden als je het helemaal niet verdient. Voor een zondaar zoals jij.

De andere morgen had Jacob dan ook de tijd genomen om die plek te markeren. Hij had de steen, die hij gebruikt had als een soort hoofdkussen, rechtop gezet. Er olie over gegoten. Hij had de steen tot een gedenksteen gemaakt. Ook had hij God plechtig beloofd dat als hij ooit weer naar huis terug zou keren deze plek zou wijden aan God. Hij zou het maken tot een huis van God.

Maar nu was het twintig jaar later.

Jacob was eindelijk op de terugweg naar het beloofde land. Met zijn hele gezin en al zijn vee. Erg spontaan was dat vertrek trouwens niet gegaan. Als God niet had gezegd: Jacob, sta op, had het wellicht ook nog jaren geduurd. God had gezegd: ‘Ik ben de God van Bethel, kom terug naar je geboorteland’ (31:14).

De terugreis verliep heel traag. Er gebeurde van alles. Lange tijd verbleef Jacob aan de andere kant van de Jordaan. Hij moet verschrikkelijk tegen alles hebben opgezien. Ja, er gebeurden toen ook heel bijzondere dingen. Om nooit te vergeten was de ontmoeting met God bij de beek Jabbok. Hij had in de nacht met de engel des Heren geworsteld. Daarna volgde het weerzien van zijn broer. Het was heel goed gegaan.

Jacob trok daarna met zijn hele gezin verder. Je zou denken in de richting van Bethel, zoals hij ooit gezworen had en beloofd. Maar toen hij nog maar 32 kilometer van Bethel was, bleef hij met heel zijn gezin bij de stad Sichem hangen.

Daar sloegen ze hun tenten op. Waarom? Was deze heidense stad zo aantrekkelijk? Waarom niet verder getrokken? Het was nog maar een klein stukje.

Het verblijf in Sichem liep uit op een ramp, een drama. Zijn dochter Dina werd verkracht. Haar broers namen op een vreselijke manier wraak, moord en doodslag. Genesis 34 vertelt ervan.

En in heel dat lange hoofdstuk wordt de naam van God niet genoemd. Jacob heeft zijn dochter niet in de armen genomen toen ze thuiskwam. Ook niet God er openlijk voor gedankt.

Jacob en zijn gezin waren dichtbij Bethel, maar geestelijk gesproken waren ze ver van huis.

En dan is het God, die weer ingrijpt.

Daarna (jammer dat dat woordje verdwenen is in sommige vertalingen) zei God: ‘Ga naar de stad Betel. Blijf daar en bouw dáár een altaar voor mij. Ik ben de God die daar met je gesproken heeft, toen je vluchtte voor je broer Esau’, (Genesis 35:1).

Er werden door de aartsvaders nogal eens altaren gebouwd. Maar dat was meestal spontaan, vrijwillig. Maar deze keer ging dat niet vrijwillig. God gaf Jacob de opdracht. ‘Sta op’. ‘Vertrek’ ‘Bouw daar een altaar’.

Het is eigenlijk beschamend: ‘Jacob dat je er zelf niet aan gedacht hebt’. Je had het beloofd, gezworen om te doen.

‘Bouw dáár een altaar voor mij’

Het is goed om de klemtoon op dat woordje daar te leggen.

God herinnerde Jacob opnieuw aan die bijzondere plek:

“Weet je nog Jacob? Dat jij daar op de grond lag. Denk eens even terug. Toen verscheen Ik daar aan jou op het dieptepunt van je leven. Je was alles kwijt. Je broer, je ouders, je land. Weet je nog, wat Ik toen gezegd heb ‘Bouw dáár een altaar voor mij’ en wat heb jij toen beloofd?’

God herinnerde Jacob uit welke ellende Hij hem had verlost. Hoe Hij daar was toen Jacob niemand meer had...

‘Bouw dáár een altaar voor mij’

En dat is het, lieve mensen, wat ik op deze laatste zondag van het jaar 2018 ook met u wil doen..

Weet u nog wat er dit jaar is gebeurd?

Denk eens weer terug. Weet je het weer? Weet je nog wat je toen heb beloofd?

Weet je nog welke troost je in het diepste verdriet kreeg. Weet je nog wat jij aan God heb beloofd? Denk eens terug. Neem er de tijd voor.

‘Bouw dáár een altaar voor mij’

Jacob heeft het toen wel gedaan.

Aan zijn kinderen uitgelegd waarom. ‘We gaan naar Betel. Daar ga ik een altaar bouwen voor God. Want hij heeft voor mij gezorgd toen ik grote problemen had. Hij heeft me geholpen, overal waar ik kwam.’

Ze hebben het gedaan.

En niet zomaar. Het hele gezin heeft zich opnieuw aan God gewijd. Afgoden werden weggedaan. Moet je voorstellen. Kortgeleden hadden ze die nog buit gemaakt. De kinderen waren ditmaal onder de indruk. En die waren geen zestien meer. Mannen, moordenaars. Bij Sichem hadden ze niet naar Jacob geluisterd. Ze voelden aan dat dit echt was.

Samen hebben ze het altaar gebouwd.

En Jacob noemde die plaats opnieuw Bethel. De plek waar je God ontmoet. Een heel kostbare plek.

Een heilige plek.

Een plek die je nooit mag vergeten.

Waren er die in uw leven?

Benoem ze. Kijk terug. Het kan overal zijn.

Heb je van die plaatsen waar je God hebt ontmoet? Dan kan hier in de kerk geweest zijn. Bij het avondmaal. Tijdens de rouwdienst. Onder dat lied. Het kan ook thuis zijn. Je ontving troost juist toen je er helemaal doorheen zat.

Leg die momenten vast.

Vertel het je gezin, je kinderen, je vrienden.

Leg die momenten vast.

Voor het eerste of opnieuw.

‘Bouw dáár een altaar voor mij’