Artiest

Harry Belafonte - Biografie

  1. Artiestenchevron right
  2. Harry Belafonte
Toen Harry Belafonte in 1957 voor het eerst Day-O! Dayhayhay-O! uitriep, was hij zich niet bewust van de enorme impact die deze kreet zou hebben. De uitroep vormt namelijk de basis voor het wereldwijde succes van zijn hit 'The Banana Boat Song' (Day-O). Het bezorgt hem ook de bijnaam The King Of Calypso. Bovendien zet het liedje vele artiesten aan tot een nadere verkenning van de verschillende Zuid Amerikaanse muziekstijlen.

Toen Harry Belafonte in 1957 voor het eerst Day-O! Dayhayhay-O! uitriep, was hij zich niet bewust van de enorme impact die deze kreet zou hebben. De uitroep vormt namelijk de basis voor het wereldwijde succes van zijn hit 'The Banana Boat Song' (Day-O). Het bezorgt hem ook de bijnaam The King Of Calypso. Bovendien zet het liedje vele artiesten aan tot een nadere verkenning van de verschillende Zuid Amerikaanse muziekstijlen.

Oorlog

Harry Belafonte wordt op 1 maart 1927 geboren als Harold George Belafonte junior in de New Yorkse wijk Harlem. Als zoon van een immigrantenechtpaar uit Martinique groeit hij op in de bittere armoede en de harde werkelijkheid van het getto. Wanneer Harry acht jaar is, verhuist hij met zijn moeder naar Jamaïca om in het dorpje Aboukir te gaan wonen bij zijn oma. Na vijf jaar keert de dan 13-jarige Belafonte terug naar New York om een opleiding te volgen aan de George Washington High School. Aan het einde van de oorlogsjaren verlaat hij de middelbare school om dienst te nemen bij de Amerikaanse marine. Maar nog voordat Belafonte wordt uitgezonden naar Europa of het Verre Oosten, is de oorlog al afgelopen. Vastbesloten om het leven in het getto te ontvluchten, sluit Belafonte zich aan bij het American Negro Theater. Samen met Marlon Brando, Sidney Poitier en Tony Curtis volgt hij acteerlessen bij Erwin Piscator's Dramatic Workshop. Hij treedt op in diverse toneelstukken en blijkt prachtig te kunnen zingen.

Films

In 1948 treedt Belafonte voor het eerst voor en groot publiek op. Daarbij wordt hij begeleid door de jazzband van Charlie Parker, waarin naast Parker ook Miles Davis en Max Roach spelen. In 1952 tekent Harry Belafonte een platencontract met RCA Records. Nog datzelfde jaar verschijnt z’n eerste single 'Chiminey Smoke – dat geen hit wordt - en maakt hij zijn debuut op het witte doek. Belafonte speelt een rol in de film Bright Road, waarin de knappe Dorothy Dandridge zijn tegenspeelster is. In 1954 wint hij een Tony Award voor z'n aandeel in de Broadway-revue John Murray Anderson's Almanac. In dat jaar speelt Belafonte ook de hoofdrol in de speelfilm Carmen Jones, waarin Dorothy Dandridge opnieuw zijn tegenspeelster is.

Calypso

Als zanger breekt Belafonte in 1956 wereldwijd door met de hit 'Jamaica Farewell'. Vlak daarna is hij succesvol met een vertolking van het kerstliedje 'Mary's Boy Child', dat twee decennia later net zo succesvol wordt uitgevoerd door Boney M. Wanneer z’n LP Calypso de eerste plaats van de hitlijsten bereikt, breekt in Amerika een ware Calypso-rage los. Er worden meer dan één miljoen exemplaren van de plaat verkocht. Met de hit 'The Banana Boat Song (Day-O)', afgeleid van een oud Jamaïcaans volkswijsje, zorgt Harry Belafonte er hoogstpersoonlijk voor dat de calypso ook elders in de wereld razend populair wordt.  Ook dit liedje zal twee decennia later succesvol worden gecoverd en nog wel door een bekende Nederlander. Komiek André van Duin neemt in 1972 een persiflage op van 'The Banana Boat Song (Day-O)' en scoort met zijn 'Bananenlied' een grote hit.

Racisme

Na het gigantische succes van 'Banana Boat (Day-O!)' blijft Belafonte aan de lopende band wereldhits  afleveren, waaronder 'Mama Look At Bubu', 'Cocoanut Woman', 'Matilda Matilda' en 'Round The Bay Of Mexico'. Ook het thema van z'n volgende film Island In The Sun is een groot succes. De film handelt over een omstreden liefdesrelatie tussen de donkere Belafonte en de blanke actrice Joan Fontaine, een onderwerp dat in die tijd uiterst gevoelig ligt. Ook speelt Belafonte rollen in controversiële films als Odds Against Tomorrow - waarin hij partner is van een blanke racistische bankrover - en The World The Flesh And The Devil, waarin hij één van de drie laatst overgebleven aardbewoners speelt die nog in leven zijn nadat zich een nucleaire wereldramp heeft voltrokken.  Belafonte komt op voor de onderdrukte zwarte gemeenschap in Amerika. Hij sluit zich aan bij dominee Martin Luther King en onderhoudt tot aan diens tragische dood een hechte vriendschapsband met hem.

Miriam Makeba

Ondertussen ontvangt Belafonte diverse prestigieuze prijzen, waaronder een Emmy Award voor de tv-special Tonight With Harry Belafonte. Ook levert hij een groot aantal prachtige albums af. Daarvan is het uit 1962 daterende The Midnight Special vermeldenswaardig omdat een piepjonge harmonicaspeler Bob Dylan daarmee zijn platendebuut maakt. In zijn tv-specials laat Belafonte het Amerikaanse publiek kennismaken met jonge artiesten uit Afrika en Europa, waaronder Miriam Makeba en Nana Mouskouri. Op filmgebied is Belafonte te zien in onder meer het door Sidney Poitier geregisseerde Buck And The Preacher (1972) en Uptown Saturday Night (1974).

UNICEF

Halverwege de jaren zeventig trekt Belafonte zich terug uit de platen- en filmindustrie. Hij wil zich voortaan bezighouden met de strijd voor mensenrechten en in het bijzonder die van kansarme kinderen. Zo is hij samen met Lionel Richie en Michael Jackson initiatiefnemer van de single 'We Are The World', waarmee tientallen wereldsterren in 1985 miljoenen dollars bij elkaar zingen voor de hongerende kinderen in Afrika. In 1987 volgt Harry Belafonte Danny Kaye op als UNICEF's Goodwill Ambassador.

Terrorist

In 1989 vertolkt Belafonte met Jennifer Warnes het duet 'Skin To Skin' dat hem zijn laatste grote wereldhit oplevert.  Halverwege de jaren negentig maakt Belafonte zijn comeback op het witte doek in de omstreden film White Man's Burden (1996) en Robert Altman’s  jazzfilm Kansas City (1997). Verder staat Belafonte bekend om zijn geëngageerde houding te opzichte van de maatschappij en kritische uitspraken. Zo keert hij zich fel tegen de Amerikaanse inval in Irak en noemt daarbij Condoleezza Rice  en Colin Powell de ‘huisslaven’ van het ‘naziregime’ van ‘terrorist’ George Bush. Met zulke uitspraken maakt hij zich niet geliefd bij de Republikeinen. In 2006 speelt hij een kleine rol in de door Emilio Estevez geregisseerde filmdocumentaire Bobby, handelend over de moord op senator Bobby Kennedy.